Wat is de functie van een reünie? Waarom gaan mensen terug naar de plek waar ze eigenlijk nooit naar toe hadden willen gaan? Ik kan me nog levendig herinneren hoe vurig ik hoopte op een vreselijke ramp (zonder persoonlijke ongevallen) waardoor de school voor maanden dicht moest. Of op weer dat zó extreem was dat zelfs mijn ouders me niet de deur uit zouden sturen.
Sowieso is mijn Havo tijd een rare periode, waar ik eigenlijk niet zo heel veel meer van weet. Dat op zich vond ik al angstaanjagend. Toen ik even door mijn dagboek uit die tijd bladerde om te ontdekken of ik nou in ’91 of ’92 examen had gedaan (ja, erg, ik weet het) viel me op dat ik kennelijk als een soort wandelende hormoon door mijn schooltijd heb gelopen. Zo veel verliefdheid op zo veel verschillende meisjes zou ik nu echt niet overleven.
Ook zijn me weinig leraren écht bijgebleven. Geschiedenisleraar, want dat was mijn favoriete vak. Engels, want die man las geweldige verhalen voor. Economie, want met die man heb ik oorlog gehad.
Dat laatste zou je kunnen opvatten als een kleurrijke overdrijving, maar dat was het niet. Ik herinner me dat ik zijn klas in kwam en nog in de een of andere brochure las.
De leraar pakt het boekje zonder iets te zeggen af en gooit het in de prullenbak. Zonder na te denken haal ik het er weer uit, en geef de man er een tik mee op zijn hoofd. Nog voor ik mijn tafel heb bereikt hoor ik een knal. De man heeft een kopje naar mij gegooid dat nu in gruzels op de grond ligt.
“Dat ga je opruimen,” zegt hij.
“Nee,” zeg ik.
“Dan verklaar ik je de oorlog.”
De rest van de les staart hij me aan, terwijl mijn klasgenoten zich afvragen wie het eerst met de ogen zal knipperen.
Waarop ik thuis een krant op A3 formaat in elkaar plak met als kop: ‘VEILIGHEIDSRAAD VEROORDEELT [naam leraar]’ en ‘OORLOG TUSSEN HOL EN [naam leraar]’
Een week later koop ik bij een feestwinkel ‘kogelgaten’. Stickers voor op een ruit, wel te verstaan. Die ik uiteraard op zijn voorruit plak. De man hoeft de volgende dag niet eens te vragen wie het gedaan heeft. Hij komt op me af op het schoolplein en buldert “Hol! Jij blijft voortaan met je poten van mijn auto af!”.
Tijdens de reunie op zaterdag, waar ik mensen tegenkwam die écht niet veranderd waren (afgezien van dikker, ouder en kaler), was ook die beruchte economieleraar aanwezig. Uiteraard stapte ik op hem af. Hij keek me aan, lachte even en zei ‘ze laten hier ook iedereen binnen.’ Maar kennelijk had hij dat grapje die dag al honderd keer gemaakt, want erg gemeend kwam het er niet uit. Hij vroeg wat ik deed. Ik vroeg of hij nog kopjes gooide. Hij bevestigde dat. Daarna draaide hij zich om, om met een andere oud-leerling te praten. Wat best een beetje een teleurstelling was, al weet ik nog niet precies waarom.
Wat moet ik verder nog vertellen over een reünie waar je mensen ziet die je 15 jaar niet hebt gezien? Het gekke was dat het helemaal niet zo lang geleden leek. We kletsten wat bij in de gang voor een lokaal (waar niemand écht naar binnen wilde) en terwijl ik daar stond bekroop me het gevoel dat dit een tussenuur was. Maar waartussen? Ik dacht hier over na terwijl ik met een oud-klasgenote naar een deur liep. Deze stond open en was geblokkeerd door een wig. Waar ik over struikelde. Waarop de deur los schoot, en tegen me aan klapte, waardoor ik bijna tegen de directeur van de school aan viel. Dat zal me leren sentimenteel te worden.
Scribbles is verhuisd!
Werk uw bookmarks bij: Scribbles heet nu Schrijversblok
www.schrijversblok.nl
www.schrijversblok.nl
dinsdag, september 25, 2007
maandag, september 24, 2007
Nog 1 dagje geduld
De column van maandag is helaas komen te vervallen wegens gebrek aan tijd. Stay tuned, dinsdag ben ik weer helemaal terug.
dinsdag, september 18, 2007
Soms vang je dingen op
Ik zit in een café in Amsterdam achter een kop koffie en een flink stuk appeltaart. Ja, ik weet hoe je uit de band moet springen. Ik heb net een persconferentie achter de rug en neem nog even wat notities door voor ik naar de trein loop. Een tafeltje verder zitten een jongen en een meisje overduidelijk verliefd op elkaar te wezen. Tegenover hen zit een wat slungelige jongen. Het vijfde wiel aan de wagen.
Het meisje verontschuldigt zich na een paar minuten en gaat (uiteraard niet zonder haar vriendje hartstochtelijk met veel tong te zoenen) het trapje af naar de wc. De slungel kijkt wat gegeneerd de andere kant op.
“Joh, jij vindt ook wel iemand,” zegt ‘Romeo’ op een vaderlijke toon. Hij kan niet ouder zijn dan zestien. De slungel zelfs jonger.
“Oh dat hoeft niet hoor,” liegt hij. De ander lacht minzaam
“Ik weet hoe het is, hoor. Toen ik nog vrijgezel was, dacht ik ook dat ik dat altijd zou blijven.”
Nu wordt de slungel zichtbaar boos.
“Man, hou op. Ik ben echt niet wanhopig of zo.”
“Oh maar dat zeg ik ook niet.”
“Nou, daar lijkt het wel op.”
“Rustig, broertje. Je windt je er wel erg over op.”
“Ach hou je kop.”
Het valt even stil. Ik kijk weer naar mijn notities. Koffie is bijna op. De taart al lang.
“Ik ben gewoon gehecht aan mijn vrijheid,” zegt ‘broertje’.
“Ja, ja,” zegt Grote Broer schamper.
“Ja! Als ik zie hoe veel tijd jij kwijt bent aan Esther…”
Hier moet Grote Broer om lachen.
“Ik geloof niet dat je het helemaal begrijpt…” zegt hij.
“Nou, ik weet anders wel dat je al tijden niet meer in Het Biervat komt. En Maarten en Edwin heb je ook al drie weken niet meer gezien.”
“Jemig man. Hou je een dagboek bij of zo.”
De slungel kijkt betrapt en bijt op zijn onderlip. Grote Broer zucht.
“Het lijkt wel of je niks anders meer doet,” zegt Slungel uiteindelijk.
“Joh, dat is nou eenmaal hoe het gaat. Esther en ik zijn gewoon erg graag samen. Ze is hartstikke leuk. Vind je niet dan?”
Zelfs van waar ik zit, zie ik dat de slungel een kleur krijgt.
“Daar gaat het niet om,” zegt hij.
“Nou, zeur dan niet.”
“Ik zeur niet,” zegt de Slungel. En dan komt het er uit. Alsof het moeite kost om de woorden te spreken: “Sommige mensen denken dat je niet meer met anderen uit mag van Esther.”
“Waar slaat dat nou op! Jezus, man,” zegt Grote Broer. De opmerking van zijn broertje heeft hem duidelijk geraakt.
“Ik doe echt wel waar ik zelf zin in heb hoor. Ik ga uit met wie ik wil.”
“Laat nou maar.”
“Jezus. Waar háál je het vandaan. Als ik met iemand anders uit wil dan doe ik dat. Daar heeft Esther niks over te zeggen. Ze is mijn cipier niet.”
Alsof het door een slechte soap schrijver is bedacht, blijkt Esther precies op dat moment achter haar vriendje te staan.
“Ik ben je cipier niet?” zegt ze met de ijskoude stem die alleen gekwetste vriendinnetjes kunnen gebruiken.
De slungel krijgt een nog diepere kleur en kijkt van het meisje naar zijn broer. Deze verschiet op zijn beurt en begint te stamelen dat hij het zo niet bedoelde en meer van die dingen die het alleen maar erger maken. Esther pakt zonder verder iets te zeggen haar erg roze handtasje en loopt het café uit. Haar (misschien nu ex-) vriendje rent achter haar aan en laat zijn broertje achter met de rekening.
En terwijl ik mijn eigen koffie en gebak afreken besef ik dat ik Goddank geen zestien meer ben.
Het meisje verontschuldigt zich na een paar minuten en gaat (uiteraard niet zonder haar vriendje hartstochtelijk met veel tong te zoenen) het trapje af naar de wc. De slungel kijkt wat gegeneerd de andere kant op.
“Joh, jij vindt ook wel iemand,” zegt ‘Romeo’ op een vaderlijke toon. Hij kan niet ouder zijn dan zestien. De slungel zelfs jonger.
“Oh dat hoeft niet hoor,” liegt hij. De ander lacht minzaam
“Ik weet hoe het is, hoor. Toen ik nog vrijgezel was, dacht ik ook dat ik dat altijd zou blijven.”
Nu wordt de slungel zichtbaar boos.
“Man, hou op. Ik ben echt niet wanhopig of zo.”
“Oh maar dat zeg ik ook niet.”
“Nou, daar lijkt het wel op.”
“Rustig, broertje. Je windt je er wel erg over op.”
“Ach hou je kop.”
Het valt even stil. Ik kijk weer naar mijn notities. Koffie is bijna op. De taart al lang.
“Ik ben gewoon gehecht aan mijn vrijheid,” zegt ‘broertje’.
“Ja, ja,” zegt Grote Broer schamper.
“Ja! Als ik zie hoe veel tijd jij kwijt bent aan Esther…”
Hier moet Grote Broer om lachen.
“Ik geloof niet dat je het helemaal begrijpt…” zegt hij.
“Nou, ik weet anders wel dat je al tijden niet meer in Het Biervat komt. En Maarten en Edwin heb je ook al drie weken niet meer gezien.”
“Jemig man. Hou je een dagboek bij of zo.”
De slungel kijkt betrapt en bijt op zijn onderlip. Grote Broer zucht.
“Het lijkt wel of je niks anders meer doet,” zegt Slungel uiteindelijk.
“Joh, dat is nou eenmaal hoe het gaat. Esther en ik zijn gewoon erg graag samen. Ze is hartstikke leuk. Vind je niet dan?”
Zelfs van waar ik zit, zie ik dat de slungel een kleur krijgt.
“Daar gaat het niet om,” zegt hij.
“Nou, zeur dan niet.”
“Ik zeur niet,” zegt de Slungel. En dan komt het er uit. Alsof het moeite kost om de woorden te spreken: “Sommige mensen denken dat je niet meer met anderen uit mag van Esther.”
“Waar slaat dat nou op! Jezus, man,” zegt Grote Broer. De opmerking van zijn broertje heeft hem duidelijk geraakt.
“Ik doe echt wel waar ik zelf zin in heb hoor. Ik ga uit met wie ik wil.”
“Laat nou maar.”
“Jezus. Waar háál je het vandaan. Als ik met iemand anders uit wil dan doe ik dat. Daar heeft Esther niks over te zeggen. Ze is mijn cipier niet.”
Alsof het door een slechte soap schrijver is bedacht, blijkt Esther precies op dat moment achter haar vriendje te staan.
“Ik ben je cipier niet?” zegt ze met de ijskoude stem die alleen gekwetste vriendinnetjes kunnen gebruiken.
De slungel krijgt een nog diepere kleur en kijkt van het meisje naar zijn broer. Deze verschiet op zijn beurt en begint te stamelen dat hij het zo niet bedoelde en meer van die dingen die het alleen maar erger maken. Esther pakt zonder verder iets te zeggen haar erg roze handtasje en loopt het café uit. Haar (misschien nu ex-) vriendje rent achter haar aan en laat zijn broertje achter met de rekening.
En terwijl ik mijn eigen koffie en gebak afreken besef ik dat ik Goddank geen zestien meer ben.
Abonneren op:
Posts (Atom)





