Scribbles is verhuisd!

Werk uw bookmarks bij: Scribbles heet nu Schrijversblok

www.schrijversblok.nl

dinsdag, november 06, 2007

Hoe het gaat

Aangezien NaNoWriMo (schrijf een boek van 50.000 woorden in 30 dagen) even al mijn vrije schrijftijd opeist, heb ik de columns tot 1 december in de ijskast gezet. Wie wil weten of ik de uitdaging tot een goed einde breng kan mijn huidige score hier zien:


wordcount widgets

vrijdag, november 02, 2007

NaNoWriMo 2007

Dit jaar doe ik opnieuw mee met NaNoWriMo. Dat betekent dat de maand november voor mij weer in het teken staat van het schrijven van een roman van 50.000 woorden in dertig (30) dagen.

Wie een stukje van mijn nieuwe (voorlopig nog naamloze) boek wil lezen kan hier kijken (onder het kopje 'Novel Excerpt').

zaterdag, oktober 20, 2007

Fijn, zo'n brein

Het menselijk brein is bizar. Het is na miljoenen jaren evolutie zo’n beetje het ingewikkeldste orgaan dat de natuur heeft voortgebracht, maar er zitten duidelijk een paar vreemde ontwerpfoutjes in. Probeer voor de gein nu eens niet te denken aan een kip. Vooral niet aan denken. Niet aan de veren. Niet aan het geluid dat die beesten voortbrengen. En vooral (ik waarschuw je) denk nou niet aan dat reclamedeuntje. Probeer alleen de woorden te lezen zonder dat je het in je hoofd meezingt: ‘Kip, het meest veelzijdige stukje vlees. Kip!’.

Lukt niet, hè. Dit is een onschuldig voorbeeld. Denk nu eens niet aan jeuk op je rug. Zo net onder je schouderblad. Zo’n jeuk die er eerst bijna niet is, maar dan langzaam maar zeker begint te irriteren. Net niet genoeg om het heel erg te vinden, maar genoeg om te weten dat het er is. Nu ook niet aan kriebeltruien denken, of kleine beestjes. Niet doen! Of dat gevoel als je haar net geknipt is en er hele kleine haartjes op je rug zitten. Ban die gedachten uit je hoofd! Denk niet aan jeuk! ‘Jeuk!’ Dat woord alleen al! Niet aan denken!

Ik snap niet waarom ons brein zo werkt. Ik begrijp er helemaal niets van. Vooral niet omdat het mij evolutionair gezien alleen maar rampzalig voorkomt. Zoals vanmiddag, toen ik mijn lunch wilde klaarmaken. Ik zette de eiersalade op tafel en precies op dat moment begin Lucie, één van onze drie katten, luidruchtig te kotsen. Even vraag ik me af of ik dat misschien beter ná het eten op kan ruimen, maar helaas doet ze het zo duidelijk in het zichtveld dat er geen ontkomen aan is. Ik pak dus een zo dik mogelijke prop keukenrol en veeg dat natte warme spul op, om het vervolgens weg te gooien.

Ik ga weer aan tafel zitten en pak de eiersalade…

vrijdag, oktober 05, 2007

Klein meisje

Een klein meisje van twee is bij ons op bezoek. Oh, ook haar moeder en haar zusje, maar die vallen nauwelijks op. Het kleine meisje is namelijk verrukt door de nieuwe omgeving. Vooral het feit dat er héél veel dingen zijn om te pakken, waaronder drie steeds nerveuzer wordende katten. Af en toe stokt het meisje in haar bewegingen. En dan besef ik dat haar moeder er in slaagde haar in de houtgreep te nemen.
“Nee! Loslaten!” zegt ze terwijl ze de tropische en zeer breekbare schelp van onze vensterbank uit haar handen probeert te krijgen. Dat lukt, maar in een vloeiende beweging grijpt het meisje de vaas ernaast. Moeder is weer uit beeld verdwenen en onder een vrolijk, schattig gilletje rent ze richting kat. De kat, die zich afvraagt in welke nachtmerrie ze in Godesnaam terecht is gekomen, probeert zicht te verstoppen onder tafel. Dat is geen obstakel voor het meisje dat met uitgestrekte handjes naar de nu in het nauw zittende kat toe blijft rennen. Dan stopt ze weer met lopen. En opnieuw valt me op dat, inderdaad, haar moeder toch echt ook in de kamer is. Ze heeft haar dochter opnieuw in de houtgreep en spreekt haar streng doch wanhopig toe.Het meisje lacht haar stralende lachje en rent nu naar weer een andere hoek waar ze rakelings langs het glas chocolademelk van haar zusje scheert. Ze heeft een andere, panische, kat ontdekt achter het gordijn. En ja, aan dat gordijn kun je hangen als je dat wilt. Voor het meisje achter de kat aan kan klimmen heeft moeder haar opnieuw te pakken. Ze tilt haar op, waardoor haar voetjes opnieuw bijna het halfvolle glas chocomel raken. Moeder zet haar weer neer en beseft dat het haar dochter wéér is gelukt.
“Leg die schelp neer!” zegt ze. Een nieuwe worsteling volgt, waarbij blijkt dat meisjes van twee goede kansen maken bij het internationaal kampioenschap armworstelen. Moeder probeert haar dochter af te leiden met nieuwe prikkels.
“Boekje?” zegt ze hoopvol. Het meisje lacht klaterend als een fris bergbeekje en maakt van de gelegenheid gebruik om naar kat nummer drie te rennen. Deze dacht kennelijk dat hij aan de dans kon ontspringen, maar vlak bij zijn etensbakje heeft ze hem bijna te pakken. Toch blijkt de kat minder interessant dan datzelfde etensbakje. Ze graait er in met een gretig vrolijk handje en haalt er een paar Gourmet ‘harde brokjes’ uit. De smaak bevalt haar kennelijk, tot afgrijzen van moeder.
“Heeft ze er van gegeten?” vraagt ze met opengesperde moeder ogen.
“Dat merk je morgen wel, als haar vacht gaat glanzen,” zeg ik.
Het meisje ziet dat de kat ook interesse heeft in ‘haar’ snoepjes en biedt hem er heel voorzichtig een aan. De kat snuft aan haar uitgestoken handje. Zijn neus kietelt haar en ze produceert een héél hoog héél vrolijk, héél hard lachje. De kat houdt het voor gezien. Het meisje rent er achteraan. Rakelings langs de chocolademelk. Waar ze opnieuw de schelp ziet. Waarop haar moeder haar weer te pakken neemt. En het meisje nog steeds géén interesse heeft in het boekje. Tegen iedere kansberekening in schopt ze ook deze keer de chocolademelk niet omver.
“Zal ik hem zelf maar omgooien dan?” vraag ik.
Niet dat iemand dat hoort, want het meisje houdt nu niet meer op met vrolijke kreetjes uitslaan. Ik zie de katten zich verdringen bij de deur die ze gezamenlijk open proberen te trekken. Moeder kijkt verontschuldigend als ze per ongeluk zélf een stukje van haar gebak op de grond gooit. Ze biedt meteen aan om het op te ruimen en zet het meisje bij mij op schoot. En dan is het stil. Alsof de wind plots is gaan liggen. Het meisje kijkt nu rustig om zich heen en ik weet zelf niet wat er nou precies gebeurt.
“Wauw, Harry, hoe doe je dat?” vraagt moeder.
“Wat doe ik?”
Het meisje blijft stil. Ze zit op haar gemak op mijn schoot en kijkt tevreden rond.
“Wil je dat bij ons ook komen doen?” vraagt haar moeder. “Harry de babyfluisteraar.”

dinsdag, september 25, 2007

De klas van '92 (of '91)

Wat is de functie van een reünie? Waarom gaan mensen terug naar de plek waar ze eigenlijk nooit naar toe hadden willen gaan? Ik kan me nog levendig herinneren hoe vurig ik hoopte op een vreselijke ramp (zonder persoonlijke ongevallen) waardoor de school voor maanden dicht moest. Of op weer dat zó extreem was dat zelfs mijn ouders me niet de deur uit zouden sturen.

Sowieso is mijn Havo tijd een rare periode, waar ik eigenlijk niet zo heel veel meer van weet. Dat op zich vond ik al angstaanjagend. Toen ik even door mijn dagboek uit die tijd bladerde om te ontdekken of ik nou in ’91 of ’92 examen had gedaan (ja, erg, ik weet het) viel me op dat ik kennelijk als een soort wandelende hormoon door mijn schooltijd heb gelopen. Zo veel verliefdheid op zo veel verschillende meisjes zou ik nu echt niet overleven.

Ook zijn me weinig leraren écht bijgebleven. Geschiedenisleraar, want dat was mijn favoriete vak. Engels, want die man las geweldige verhalen voor. Economie, want met die man heb ik oorlog gehad.

Dat laatste zou je kunnen opvatten als een kleurrijke overdrijving, maar dat was het niet. Ik herinner me dat ik zijn klas in kwam en nog in de een of andere brochure las.

De leraar pakt het boekje zonder iets te zeggen af en gooit het in de prullenbak. Zonder na te denken haal ik het er weer uit, en geef de man er een tik mee op zijn hoofd. Nog voor ik mijn tafel heb bereikt hoor ik een knal. De man heeft een kopje naar mij gegooid dat nu in gruzels op de grond ligt.
“Dat ga je opruimen,” zegt hij.
“Nee,” zeg ik.
“Dan verklaar ik je de oorlog.”
De rest van de les staart hij me aan, terwijl mijn klasgenoten zich afvragen wie het eerst met de ogen zal knipperen.
Waarop ik thuis een krant op A3 formaat in elkaar plak met als kop: ‘VEILIGHEIDSRAAD VEROORDEELT [naam leraar]’ en ‘OORLOG TUSSEN HOL EN [naam leraar]’

Een week later koop ik bij een feestwinkel ‘kogelgaten’. Stickers voor op een ruit, wel te verstaan. Die ik uiteraard op zijn voorruit plak. De man hoeft de volgende dag niet eens te vragen wie het gedaan heeft. Hij komt op me af op het schoolplein en buldert “Hol! Jij blijft voortaan met je poten van mijn auto af!”.

Tijdens de reunie op zaterdag, waar ik mensen tegenkwam die écht niet veranderd waren (afgezien van dikker, ouder en kaler), was ook die beruchte economieleraar aanwezig. Uiteraard stapte ik op hem af. Hij keek me aan, lachte even en zei ‘ze laten hier ook iedereen binnen.’ Maar kennelijk had hij dat grapje die dag al honderd keer gemaakt, want erg gemeend kwam het er niet uit. Hij vroeg wat ik deed. Ik vroeg of hij nog kopjes gooide. Hij bevestigde dat. Daarna draaide hij zich om, om met een andere oud-leerling te praten. Wat best een beetje een teleurstelling was, al weet ik nog niet precies waarom.

Wat moet ik verder nog vertellen over een reünie waar je mensen ziet die je 15 jaar niet hebt gezien? Het gekke was dat het helemaal niet zo lang geleden leek. We kletsten wat bij in de gang voor een lokaal (waar niemand écht naar binnen wilde) en terwijl ik daar stond bekroop me het gevoel dat dit een tussenuur was. Maar waartussen? Ik dacht hier over na terwijl ik met een oud-klasgenote naar een deur liep. Deze stond open en was geblokkeerd door een wig. Waar ik over struikelde. Waarop de deur los schoot, en tegen me aan klapte, waardoor ik bijna tegen de directeur van de school aan viel. Dat zal me leren sentimenteel te worden.

maandag, september 24, 2007

Nog 1 dagje geduld

De column van maandag is helaas komen te vervallen wegens gebrek aan tijd. Stay tuned, dinsdag ben ik weer helemaal terug.

dinsdag, september 18, 2007

Soms vang je dingen op

Ik zit in een café in Amsterdam achter een kop koffie en een flink stuk appeltaart. Ja, ik weet hoe je uit de band moet springen. Ik heb net een persconferentie achter de rug en neem nog even wat notities door voor ik naar de trein loop. Een tafeltje verder zitten een jongen en een meisje overduidelijk verliefd op elkaar te wezen. Tegenover hen zit een wat slungelige jongen. Het vijfde wiel aan de wagen.
Het meisje verontschuldigt zich na een paar minuten en gaat (uiteraard niet zonder haar vriendje hartstochtelijk met veel tong te zoenen) het trapje af naar de wc. De slungel kijkt wat gegeneerd de andere kant op.
“Joh, jij vindt ook wel iemand,” zegt ‘Romeo’ op een vaderlijke toon. Hij kan niet ouder zijn dan zestien. De slungel zelfs jonger.
“Oh dat hoeft niet hoor,” liegt hij. De ander lacht minzaam
“Ik weet hoe het is, hoor. Toen ik nog vrijgezel was, dacht ik ook dat ik dat altijd zou blijven.”
Nu wordt de slungel zichtbaar boos.
“Man, hou op. Ik ben echt niet wanhopig of zo.”
“Oh maar dat zeg ik ook niet.”
“Nou, daar lijkt het wel op.”
“Rustig, broertje. Je windt je er wel erg over op.”
“Ach hou je kop.”
Het valt even stil. Ik kijk weer naar mijn notities. Koffie is bijna op. De taart al lang.
“Ik ben gewoon gehecht aan mijn vrijheid,” zegt ‘broertje’.
“Ja, ja,” zegt Grote Broer schamper.
“Ja! Als ik zie hoe veel tijd jij kwijt bent aan Esther…”
Hier moet Grote Broer om lachen.
“Ik geloof niet dat je het helemaal begrijpt…” zegt hij.
“Nou, ik weet anders wel dat je al tijden niet meer in Het Biervat komt. En Maarten en Edwin heb je ook al drie weken niet meer gezien.”
“Jemig man. Hou je een dagboek bij of zo.”
De slungel kijkt betrapt en bijt op zijn onderlip. Grote Broer zucht.
“Het lijkt wel of je niks anders meer doet,” zegt Slungel uiteindelijk.
“Joh, dat is nou eenmaal hoe het gaat. Esther en ik zijn gewoon erg graag samen. Ze is hartstikke leuk. Vind je niet dan?”
Zelfs van waar ik zit, zie ik dat de slungel een kleur krijgt.
“Daar gaat het niet om,” zegt hij.
“Nou, zeur dan niet.”
“Ik zeur niet,” zegt de Slungel. En dan komt het er uit. Alsof het moeite kost om de woorden te spreken: “Sommige mensen denken dat je niet meer met anderen uit mag van Esther.”
“Waar slaat dat nou op! Jezus, man,” zegt Grote Broer. De opmerking van zijn broertje heeft hem duidelijk geraakt.
“Ik doe echt wel waar ik zelf zin in heb hoor. Ik ga uit met wie ik wil.”
“Laat nou maar.”
“Jezus. Waar háál je het vandaan. Als ik met iemand anders uit wil dan doe ik dat. Daar heeft Esther niks over te zeggen. Ze is mijn cipier niet.”
Alsof het door een slechte soap schrijver is bedacht, blijkt Esther precies op dat moment achter haar vriendje te staan.
“Ik ben je cipier niet?” zegt ze met de ijskoude stem die alleen gekwetste vriendinnetjes kunnen gebruiken.
De slungel krijgt een nog diepere kleur en kijkt van het meisje naar zijn broer. Deze verschiet op zijn beurt en begint te stamelen dat hij het zo niet bedoelde en meer van die dingen die het alleen maar erger maken. Esther pakt zonder verder iets te zeggen haar erg roze handtasje en loopt het café uit. Haar (misschien nu ex-) vriendje rent achter haar aan en laat zijn broertje achter met de rekening.
En terwijl ik mijn eigen koffie en gebak afreken besef ik dat ik Goddank geen zestien meer ben.

maandag, september 17, 2007

Oh wreed lot

Ouder worden is niet erg. Ik kan leven met het ‘buikje’ dat steeds duidelijker aanwezig en hoofdhaar dat steeds duidelijker afwezig is. De vreemde geluiden die ik na het eten produceer (een vreemd soort ‘hik’ die lijkt op een buitenaardse lokroep) en de niet te onderdrukken ‘kreun’ bij het bukken voor de krant zijn ook geen reden tot winterdepressies. Want met de jaren komt de rust en heel wat zaken waar ik me, pak em beet, tijdens de Havo, vreselijk druk over maakte, lijken nu irrelevante futiliteiten. (Ook zo’n voordeel: ‘irrelevante futiliteiten’ in een zin kunnen gebruiken zonder in elkaar te worden geslagen als ‘wijsneus’.) Futiliteiten zoals jeugdpuistjes. Wie maakt zich daar nou druk om als ie 34 is. Al jaren geen puistje meer gezien, zelfs.

Totdat…

Natuurlijk. Op de brug van mijn neus, een rode, lelijke pukkel in wording. Zo een die er nog nét niet helemaal is, en dus nog heel lang uitdagend aanwezig blijft. En natuurlijk gebeurt mij dat één week voordat ik naar de reunie van mijn Havo ga.

En ik zal eerlijk zijn. Toen ik in de spiegel keek zei ik niet:”Oh wreed lot! Was het niet genoeg om mijn haar dunner te maken en mijn buikomvang te laten groeien? Moet ik behalve onbehaard en overmaats ook nog eens gepukkeld mijn oud-klasgenoten onder ogen komen?”

Nee hoor.

Ik zei: “Fuck!”.

Nu even geen zelfcensuur met [lelijk woord] of zoiets. Gewoon hardop “Fuck!” en nog een paar [lelijkere woorden] er achter aan.

Want ‘rust die met de jaren komt’ is iets heel moois, maar dan moeten er geen pukkels of reunies op mijn pad komen.

Ik deed wat ieder in diezelfde situatie zou doen.

Ik kneep in de pukkel.

Iets wat uiteraard enkel tot gevolg had dat de plek roder en dikker werd, en mij waarschijnlijk nog wéken in de spiegel aan blijft staren.

Buigen doe ik echter niet. Ik ga uiteraard zaterdag 23 september terug naar mijn oude Havo. En ik zal met opgeheven hoofd door de deur stappen. Waarna ik ongetwijfeld in het volle zicht van duizend oud-leerlingen struikel over de drempel, en land in de armen van de Oud-Directeur. Samen vallen we in de schaal met hapjes. De foto’s en mobiel-filmpjes die dan genomen worden zullen nog jaren circuleren op internet en te zien zijn in meerdere uitzendingen van De Wereld Draait Door. En als ik tien jaar later tijdens de Oud en Nieuw uitzending van dat programma opnieuw mezelf door de toastjes ‘filet Americain’ zie rollen denk ik vast en zeker: ‘Jee, ik was slank en had toen nog best veel haar. Jammer van die enorme pukkel.’

En nu even heel wat anders

“Zekerheid is onmogelijk.”
“Weet je dat zeker?”
“Ja. Nee. Oh wat flauw.”
“Hoezo flauw?”
“Je houdt me gewoon voor de gek.”
“Doe ik dat?”
“Je speelt met me.”
“Het is toch een legitieme vraag?”
“Woordspelletjes zijn flauw.”
“Denk je dat ik spelletjes speel?”
“Je speelt spelletjes.”
“Waarom zou ik dat doen?”
“Dat zou ik ook wel willen weten.”
(Stilte)
“Goed dan. Zekerheid is volgens mij onmogelijk.”
“Volgens jou?”
“Ja. Volgens mij is zekerheid onmogelijk.”
“Dus volgens iemand anders zou het wel mogelijk zijn?”
“Dat is mogelijk.”
“Wie heeft er dan gelijk?’
“Wat een rare vraag.”
“Wie heeft er dan gelijk? Jij of die ander?”
“Dat weet ik niet.”
“Dat weet je niet?”
“Nee.”
“Je weet niet of wat je zegt klopt?”
“Nee.”
“Je weet niet zeker of een ander gelijk heeft.”
(denkt even) “Nee.”
“Waarom doe je dan uberhaupt je mond open?”
“Ja hoor eens…”
“Waarom praat je dan?”
“Ja, hee, wacht…”
“Waarom zeg jij dingen die al dan niet waar zijn, zonder dat je zelf weet of dat waar is?”
“Mag dat dan niet?”
“Waarom beantwoord je mijn vraag met een vraag?”
“Doe jij dat niet de hele tijd al?”
“Is dat zo?”
“Ja.”
“Ha! Ik win!”

dinsdag, september 11, 2007

Eén onderzoek ís geen onderzoek

Mobiel bellen zou de hersenen traag maken. Dat meldden verschillende kranten en de website van Kassa. Een onderzoek heeft dat blijkbaar aangetoond.

Mijn eerste reactie lag voor de hand: “[Lelijk woord]!”

Niet vanwege de al dan niet schadelijke gevolgen van mobiel bellen. Maar vanwege al die mensen die dat bericht lezen en die mij de komende jaren gaan vertellen hoe schadelijk mobiele telefoons, UMTS, DECT, zendmasten en MP3 spelers wel niet voor me zijn. En dat dan vooral ongevraagd. In de supermarkt. In wachtkamers. En mijn persoonlijke favoriet: op verjaardagen, wanneer je geacht wordt om niet te reageren zoals je eigenlijk zou willen. Want die figuur die dit allemaal tegen mij gaat zeggen is ongetwijfeld een kennis van een vriend van een vriendin van de gastvrouw, die op haar beurt een vriendin is van mijn vriendin. En die mensen mag ik om de een of andere mij volslagen onduidelijke reden niet zomaar zeggen waar ze hun zendmastenangst en stralingsgevaren mogen stoppen.

Dat heeft trouwens toch geen enkele zin. Deze mensen vinden dat bepaalde dingen ‘slecht’ zijn. Het gaat hen niet om bewijzen, of feiten, of zelfs maar onderzoeken. Het gaat hen om een ‘gevoel’ dat ze zich fitter voelen als ze géén mobiele telefoon hebben.

En dat moeten ze ook helemaal zelf weten. Ik wil bijvoorbeeld geen loten kopen van de Duitse Staatsloterij. Daar heb ik helemaal geen zin in, en daarom doe ik dat niet.

Maar als ik dezelfde regels zou volgen als de ‘anti straling’ types, zou ik op iedere verjaardag luidkeels van leer moeten trekken tegen die ‘Oplichtersbende’ en iedereen die binnen een straal van 10 meter staat, waarschuwen voor de gevaren van de Duitse Staatsloterij.

En toch zijn er duizenden mensen diemidden tijdens een verjaardag die met een beetje extra alcohol nog best te pruimen is, hardop declareren dat ze zich Zo Veel Beter voelen sinds ze hun GSM telefoon niet meer gebruiken. Niemand vroeg je daar naar! Als jij jouw GSM in je [lelijk woord] wil stoppen dan hoef IK dat toch niet te doen?! En nee ik ben niet dronken. Nog niet. Daar ga ik nu wat aan doen.

‘Ja, maar er is toch een onderzoek!’ werpen sommige lezers mij nu in gedachten tegen. En door dat ‘argument’ te gebruiken heb je van mij geen vriend gemaakt. Ik weet waar je woont. Onthoud dat.

En bovendien: het feit dat je over een onderzoek gelezen hebt maakt jou nog geen autoriteit op het gebied van door mobiele telefonie veroorzaakte hersentraagheid. Wat was het voor onderzoek? Wie hebben het uitgevoerd? Hoe groot was de controlegroep? Wat werd er gemeten? Is het een sociaal emotioneel effect of is er schade in de hersenen gemeten? Wat waren de conclusies en hoe ver mogen we die doortrekken naar de dagelijkse realiteit? Dat weet je niet. Want dat stond niet in het artikeltje van 50 woorden. Dus [lelijk woord] met je onderzoek en laat mij lekker bellen.

Uiteindelijk gaat het volgens mij niet eens om die mobiele telefoon of die UMTS masten. Er zijn gewoon heel veel mensen die de huidige maatschappij niet snappen. Mensen die onbewust aanvoelen dat er apparaten in huis staan die slimmer zijn dan zij. En dus dat er zaken zijn waar zij nooit helemaal van zullen begrijpen hoe ze werken. Wetenschap is voor hen niets anders dan een modern soort tovenarij waar ze enkel emotioneel op kunnen reageren. En als ze maar genoeg mensen kunnen overtuigen dat ze ook bang moeten worden, denken ze dat hun angst terecht is. Ongeacht de feiten.

maandag, september 10, 2007

Ik ben een Winnaar!

Ik ben in opperste staat van blijdschap en weet even niet meer waar ik het zoeken moet. Dat dit mij mag overkomen. Het is te mooi om waar te zijn. Sprookjes kunnen uitkomen. Joechei! Ik kreeg vanmorgen een brief van Ellen Damsma. Nu moet ik zeggen dat ik geen idee heb wie Ellen Damsma is, maar zij kent mij kennelijk heel goed.

“Geachte heer of mevrouw Hol” staat er boven. Kijk daar zie je meteen aan wat voor type het is. Niet zo van de vooroordelen en de hokjesgeest. Ze laat de keuze helemaal aan mij. Misschien voel ik me vandaag wel ‘mevrouw’. Je weet het niet. Ellen Damsma houdt in elk geval op beleefde wijze de slag om de arm, voor ze me het goede nieuws vertelt:

“De persoonlijke Postcode-Pas die u hierbij ontvangt is waardevol” schrijft ze. En inderdaad zit er een soort credit card op de brief geplakt. Van echt plastic nota bene. En daar staat mijn naam in officiele reliefletters in geponst. Wauw. Dat doen ze niet zomaar. Dit is em. Dit is de dag die de geschiedenis in zal gaan als Dé Dag. De plastic kaart deelt daarnaast mee wat mijn ‘persoonlijke postcode’ is. En daar leer ik dan meteen weer van. Ik maar denken dat iedereen in mijn straat dezelfde postcode heeft. Maar dat fabeltje is bij deze de wereld uitgeholpen. Mijn persoonlijk postcode staat in reliefletters boven mijn reliefnaam. Wie vanaf nu waagt om mijn postcode in te pikken krijgt met mijn reliefkaart te maken.

Mijn ochtend kan dus al niet meer stuk. Maar er is meer.

“Deze Pas is uw bewijs dat u gegarandeerd recht hebt op miljoenen euro’s wanneer straks de PostcodeKanjer aan uw postcode wordt toegekend.”

Bewijs! Recht! Uw Postcode. Ik duizel er van. Ik moet hier even bij gaan zitten. Oh ik zit al. Ik ga wel even staan. Dat maakt het makkelijker om een rondedansje te maken. Van ze Joepie! En ze Joechei!

“Maak uw Pas dus meteen geldig om uw kans op deze en duizenden andere fantastische prijzen te grijpen.”

Ho, Ellen Damsma, wat gaan we doen? Maak hem geldig? We hadden het toch over ‘bewijs’ en zo? Recht op miljoenen euro’s? Kom op Ellen Damsma, speel niet met me. We hadden zo’n goede band opgebouwd, jij en ik.

“Mis ‘m niet, de PostcodeKanjer van €25 miljoen!”

Wat is er gebeurd, Ellen Damsma? Missen? Net had ik hem nog! En nu is ie weg? Heb jij je papieren wel op orde? Wat doe jij met mijn PostcodeKanjer van €25 miljoen?

“Binnenkort gaat de jaarlijkse PostcodeeKanjer weer vallen. Dit keer een absolute KANJER met een onvoorstelbaar recordbedrag van maar liefst €25.000.000,00. Goed voor een levenslange vakantie en nog véél, véél meer..!”

Oké, Ellen Damsma, ik geloof weer in je. Een Absolute KANJER nota bene. Zo veel hoofdletters achter elkaar gebruik je alleen als je het echt meent.

“Reageer dus zo snel mogelijk, dan weet u zeker dat u straks schatrijk bent als de Kanjer bij u in de Esdoornhof valt.”

Wacht even, Ellen Damsma. Ik begin wat verwarde signalen van je te ontvangen. Ik moet ‘snel reageren’. Waarom? Jij had mij toch al gevonden? Je hebt zelfs die Peperdure Plastic PostcodePas voor me geProduceerd (hoofdlettergebruik is besmettelijk, geloof ik). En je kan me nou niet meer wijsmaken dat je me niet weet te vinden. Je noemt zelfs mijn adres in je persoonlijke, enthousiaste, HoofdletterGevoelige brief.

“Maak dus gebruik van uw Postcode-Pas want er is kans dat er geldbedragen op u wachten.”

Gebruiken? Hoe? Er mee zwaaien? HIER BEN IK! DROP DIE 25 MILJOEN HIER MAAR! En wat bedoel je ‘kans’? ‘Gedbedragen’? 25 miljoen! Bewijs! Recht! Ellen Damsma! Wat is er gebeurd? Gebruik ik de verkeerde DeoDorant?

“Activeer hem vandaag nog, want de Postcode Loterij maakt van gewone mensen miljonairs.”

Eh, Ellen Damsma…

“Dit is uw kans,”

Ellen Damsma?

“Gebruik vandaag nog de onderstaande antwoordcoupon.”

Pardon?! Waar komt dat vandaan? Antwoordcoupon. IK HEB EEN PostCodePaS! Met HoofdLetters! Ik sta er nu al een half uur mee voor mijn raam te zwaaien! Wat moet ik [Lelijk Woord] nou weer met een AntwoordCoupon?

“Met vriendelijke groet,
Ellen Damsma
Directeur Nationale Postcode Loterij”

Ik geloof dat jij, Ellen Damsma, mij voor het lapje houdt. En dat valt me vreselijk van je tegen, Ellen Damsma. Je komt zomaar met zo’n heerlijke persoonlijke boodschap dat al mijn geldzorgen voor altijd voorbij zijn, en opeens kom je zonder waarschuwing met “Als-en”, “Kans-en” en [Lelijk Woord] “AntwoordCoupons-en”. Weet je wat jij kan, Ellen Damsma, met je PostCodePas?

“P.S.: Heeft u geen belangstelling voor de prijzen die op uw postcode vallen, dan verzoek ik u de pas uit veiligheidsoverwegingen doormidden te knippen.”

Ah, nou luister je wel, he, Ellen Damsma? Nou praat je pas weer tegen me. Nou, ik denk dat we uitgepraat zijn, meneer of mevrouw Ellen Damsma. En no way dat ik mijn PostcodePas doorMidden Knip. Het is mijn PostcodePas. Dat neem je me nooit meer af, Ellen Damsma. Ik hou hem lekker. Kijk eens? MIJN PAS. En als die 25 miljoen hier valt, dan is ie van MIJ! Ik trap er niet meer in Ellen Damsma! Dag Ellen Damsma!

vrijdag, september 07, 2007

Geert en de file

Op zich heb ik niet zo’n bezwaar tegen files. En dat zeg ik niet omdat ik er zo weinig in sta. Daar heeft het niets mee te maken. Ik kan me gewoon best voorstellen dat er af en toe een ongeluk gebeurd, of dat de een of andere ambtenaar besluit dat die werkzaamheden beter in de spits kunnen worden uitgevoerd. Of te veel mensen die ergens heen moeten waar ze niet willen zijn, en daarom met zijn allen dezelfde afslag moeten volgen. Maar geef me in Godesnaam een REDEN dat ik stil sta. Zet even een stoplicht neer, of een paar uitgebrande autowrakken. Er is niets erger dan een half uur stapvoets vooruit rollen, om op een gegeven moment te ontdekken dat je weer vol gas mag. Zonder dat er iets te zien was. Zonder zelfs maar het begin van een afslag of knooppunt. Geen remsporen, geen rijtje bejaarden in te grote auto’s met het rechter knipperlicht nog aan. Gewoon helemaal niets. Er moet dus iemand zijn geweest die eigenlijk gewoon door kon rijden, in zijn spiegel keek en dacht ‘ach, kan mij het schelen’. Waarop hij de rem intrapte.

Ik wind me er niet al te veel over op. Zoals ik al zei zit ik te weinig in de file om daar echt over te mogen klagen. Bovendien geeft zo’n file me de tijd om me af te vragen wat er mis is met ons als menselijke soort.

En dat brengt me als vanzelf op Geert Wilders. Want hoewel ik er niet van houd om Nederlandse politiek in mijn schrijfsels te laten doorsijpelen, kan ik daar vandaag niets aan doen. Ik heb met open mond van verbazing gekeken naar het optreden van Wilders tijdens zijn ‘verjaardagsdebat’. Anderhalf uur lang hield de man de Tweede Kamer in de greep met de ene anti-Koran en anti-Islam opmerking na de andere. En daar was ik van onder de indruk. Diep. Want zo lang kan ik niet achter elkaar masturberen zonder dat het zeer gaat doen.

Dat was namelijk het enige woord dat naar mijn mening omschrijft wat Wilders deed. Masturbatie. En hoe vaker hij het had over de Islam, de Koran en die ‘laffe, knettergekke’ Nederlandse politiek, hoe verhitter hij keek. Hij zakte na afloop dan ook uitermate bevredigd in zijn stoel en het had me niet verbaasd als hij meteen daarop een sigaret had opgestoken.

Zijn grootste opwinding kwam voort uit het feit dat minister Vogelaar had gezegd dat de Nederlandse cultuur niet statisch is. Nou, inderdaad, dat is landverraad. Nederland is nu toch precies hetzelfde als dertig jaar geleden? Of vijftig jaar? Of honderd jaar? Ik weet zeker dat de Batavieren ook al zeurden dat de pindakaas bij de Albert Heijn sinds de Euro twee keer zo duur is. Nee, die Nederlandse cultuur is altijd zo geweest en moet altijd zo blijven. En dat is helemaal niet fundamentalistisch om zo te denken. Nee, dat is ‘de Nederlandse cultuur verdedigen’. Dat heeft niets met extremisme te maken. Ben je belazerd.

Met open mond keek ik toe. En tot mijn onuitsprekelijk afgrijzen zag ik vanmorgen de peilingen aangeven dat Wilders, indien er vandaag verkiezingen zouden zijn, 13 zetels zou scoren. Er zijn dus veel meer domme mensen in Nederland dan zelfs ik had vermoed. En ik heb zowel telemarketing als helpdesk werk gedaan, dus geloof me dat ik weet hoe dom mensen kunnen zijn.

Het is een angstige gedachte, maar het verklaart wel de mysteries waarmee ik mijn verhaal begon. Kennelijk zijn er mensen die denken dat het ‘schande’ is om te beseffen dat cultuur met de dag verandert. Die denken dat het verbieden van de Koran een ‘goed idee is’, en dat dat ‘heel wat anders is’ dan de Bijbel of de Talmud verbieden. En dat remmen op een verder lege snelweg ‘gewoon moet kunnen’.

donderdag, september 06, 2007

Gegarandeerd veilig

Volgens het Europees parlement zijn de vloeistofregels op luchthavens ‘onzin’. Dat las ik vanmorgen tenminste in de krant. Net zoals iedereen die de afgelopen twee jaar gevlogen heeft dacht ik: “[lelijk woord] ja natuurlijk zijn die regels onzin.” Voor wie sinds de invoering van de anti-terroristen regels niet in een vliegtuig heeft gezeten zet ik de procedure even op een rijtje:

Je komt bepakt en bezakt op het vliegveld, waar je na lang zoeken eindelijk de plek vind waar je in moet checken. Het maakt niet uit hoe vaak je gevlogen hebt, of hoe ervaren je als luchtreiziger bent, de plek waar je in moet checken bevindt zich in een soort quantum flux, waarvan de precieze locatie zelfs met deeltjesversnellers niet is te voorspellen.

Eenmaal daar, ontdek je dat er grote borden hangen waarop staat dat je geen vloeistoffen mee mag nemen aan boord. Tenminste: niet als de fles of flacon meer dan 100 ml bevat. 100 ml schijnt de magische hoeveelheid te zijn: iedere explosief die in dit universum bestaat kan volgens de luchtvaartmaatschappijen pas ontploffen als er 101 ml van in een flacon zit. Is de flacon kleiner dan dat, dan mag je hem meenemen, mits deze is verpakt in een terrorisme-proof plastic ziploc zakje.

Er staat een man of vrouw klaar om je te vragen of je vloeistoffen bij je hebt die niet in zo’n ultiem beveiligde, bom-afstotende plastic zak zitten. Zo ja: dan moet je deze van onder uit je bagage graven en in het zakje stoppen. Is de flacon te groot, dan moet je hem inleveren. Hij verdwijnt dan in een grote vuilnisbak, waar volgens mij alle bewakers gratis uit mogen graaien als de reiziger uit het zicht is.

Als je er niet over nadenkt, lijkt dit systeem al zo lek als een mandje. Want de eerste maas in de wet is het feit dat je zo veel flacons of flesjes mee mag nemen als je wil. Als ze maar minder dan 100 ml bevatten en in het inmiddels roemruchte kogelvrije anti-miltvuur zakje zitten. Kennelijk gelden in een vliegtuig ander natuurkundige wetten dan in de rest van het heelal, en is het onmogelijk om meerdere flesjes te legen in een grotere. Want je mag best lege flessen meenemen. Wie zou je daar nog van weerhouden? Niet de beveiligers op het vliegveld. Die zijn te druk bezig om je met pijn in het hart achtergelaten flesje Davidoff van 65 euro in hun binnenzak te stoppen.

Het feit dat de beveiligers zelf niet in deze regels geloven kan ik al afleiden uit het feit dat ze alle ‘illegale’ flesjes, tubes en flacons samen in een grote vuilnisbak gooien. Dat is niet de manier waarop je met potentiële explosieven omgaat. Ik kan me in elk geval niet voorstellen dat de explosievenopruimingsdienst bij het vinden van een hoeveelheid bommen, ergens op een zolderkamertje van een wannabe terrorist het hele zwikkie inpakt en in een prullenbak gooit. Om vervolgens de chemicaliën van de buurman terrorist in dezelfde bak te gooien. Er van uitgaande dat de bewakers op Schiphol gelijk hebben, en er inderdaad allemaal nitroglicerine in onze scheerschuim bussen zit, zijn zij gedurende een gemiddelde werkdag bezig met het bouwen van de moeder van alle bommen. Een lucifer en bye bye Noord Holland.

Ik vind het overigens helemaal niet erg dat vliegvelden erg hun best doen om boeven te pakken. Van mij mogen ze me drie keer fouilleren en mijn schoenen door de X-ray halen. Dat klinkt nog een beetje logisch. Maar het feit dat ik wachtend in de rij zo’n vijftien manieren kan bedenken om de ‘vloeistofregels’ te omzeilen, maken me duidelijk dat dit volslagen onzinnige praktijken zijn. Want stel je vervolgens even voor wat iemand kan bedenken die echt kwaad wil.

En inmiddels heeft het Europees parlement ook zijn twijfels over deze regels. Niet dat er wat gaat veranderen. De een of andere Eurocommissaris riep meteen dat het ondenkbaar is om de regels te schrappen. ‘Zo lang daar geen alternatief voor is kan ik de veiligheid van de reizigers niet garanderen.’

Beste Eurocommissaris, ik weet wel een alternatief. Rust alle beveiligers uit met voodoo poppetjes. Het schijnt dat het tijdschrift Quest er nog een partijtje over heeft, aangezien ze deze in Urk niet mochten verkopen. Laat de bewakers voor het oog van iedere passagier in het poppetje prikken, en laat diezelfde bewakers luidkeels diverse heidense goden aanroepen terwijl ze naakt een dans uitvoeren. Mocht dat niet genoeg zijn om de luchtreiziger weg te jagen is het altijd mogelijk om op hun handbagage wat kippen te offeren. Reizigers die dit doorstaan en nog steeds aan boord willen, moeten worden gearresteerd en afgevoerd.

Ik weet zeker dat ik me dan een stuk veiliger zou voelen.

woensdag, september 05, 2007

Weerstand

Wij als volk zijn kennelijk debiel. Dat kan niet anders, aangezien er grote groepen Nederlanders bestaan die denken dat ‘de zoetheid uit fruit’ iets anders is dan ‘suiker’. Toen ik die kreet voor het eerst hoorde irriteerde hij me, maar wist ik niet helemaal waarom. ‘Daar trapt toch niemand in’ zou je denken. Maar ik heb meerdere mensen deze term woordelijk horen herhalen onder het mom van ‘dat is beter dan suiker’. De zoetheid uit fruit. Ik kan er haast geen woorden voor vinden om te beschrijven hoe zeer ik me over deze onzin opwind.

Maar ik ga het toch proberen.

Fruit is zoet door fruitsuiker. Er is nauwelijks een chemisch verschil tussen fruitsuiker uit aardbeien, meloen of bieten. Die laatste is de bron van suiker die we in onze suikerklontjes aantreffen. Of in cola. Of in Danoontje met die [heel lelijk woord] zoetheid uit [nog lelijker woord] fruit. Maar het klinkt zo veel gezonder hè? Fruit. Dat is goed voor je. Dus de zoetheid uit fruit ook. 1 en 1 is 2 toch? Gefeliciteerd, reclamemaker. Je hebt Nederland weer een stukje achterlijker gemaakt.

Ook zo’n zin waar ik me over op kan winden: ‘Speciaal geselecteerde aardappels!’ Wat is in Albert Heijns Naam ‘SPECIAAL GESELECTEERD’? Dat is niks! Dat betekent niets! Maar het klinkt alsof een kenner met satijnen handschoentjes aan iedere aardappel voor de frites persoonlijk uit de berg vist. Zoals die man van de Duyvis reclame uit de jaren ’80, die een stempeltje ‘Ok’ op iedere pinda zette. Maar toen was dat een grap. Nu menen de copywriters het en moeten wij geloven dat ‘Special Geselecteerd’ iets anders is dan het zo goedkoop mogelijk inkopen van aardappelen van een kwaliteit die nét door de keuring heen kwam, deze in een bad water gooien en vervolgens met schil en al op een lopende band flikkeren. Speciaal geselecteerd mijn [Lelijk Woord].

Of ‘Dermatologisch Getest’. Het feit dat ze veel te dure smeersels testen lijkt me een gegeven. Ik neem tenminste aan dat ze niet in een laboratorium wat willekeurige spullen door elkaar mikken, er een geurtje doorheen roeren en het in een verpakking kwakken zonder te hebben vastgesteld of de substantie per ongeluk binnen 24 uur dodelijk is. De klant moet uiteraard lang genoeg doorleven om de navulling aan te schaffen. Natuurlijk is het dermatologisch getest. IEMAND heeft het op zijn of haar huid gesmeerd. Maar wat was de UITSLAG?!

En dan zijn er ook cosmetische producten waar bij groot in beeld staat dat 72% van de vrouwen verbetering merkte na het gebruik van het smeersel. Let dan eens goed op: er staan HELE kleine lettertjes in beeld, die zonder 2 meter breed scherm volslagen onleesbaar zijn, maar waarschijnlijk meedelen dat de groep uit drie vrouwen bestond, allemaal maitraisses van de directeur van de fabriek, en die alle drie behalve het smeersel een lichaamsverbouwing hebben ondergaan waarmee vergeleken Extreme Makeover een bezoekje aan de kapper is.

‘Aanbevolen door tandartsen’. WELKE [lelijk woord] TANDARTSEN? Allemaal? Tien? Eentje die nu in een hele dikke Mercedes rondrijdt met het logo van de kauwgomfabriek op zijn zijportier? WIE? ‘Aanbevolen door topfokkers’… Wat zegt me dat? Wat is een topfokker? En opnieuw: welke topfokkers? Wat fokken ze? Zijn er ook subtopfokkers? GEEF [Lelijk woord] ANTWOORD!

’Verhoogt je weerstand’. Dat klinkt ook weer zo geweldig. Maar het zegt opnieuw helemaal niets. Zoek maar op! Weerstand is geen medische term. Er is zoiets als een immuunsysteem dat ons lichaam beschermt. Maar in onze maatschappij krijgen we zo veel goede voeding binnen dat zelfs als je wekenlang bij de McDonalds eet je nog je immuunsysteem niet aantast. Maar goed, dat gaat heel veel mensen te ver. Net als het feit dat je niet ziek wordt van op de tocht zitten. Of door de regen lopen. Iedere sitcom wil ons doen geloven dat een wandeling door de regen ons verkouden maakt. Volslagen onzin! Verkouden wordt je van een virus. En dat virus krijg je van anderen. Binnen. Van mensen die je een hand geven of op andere manieren contact met je hebben. Als er één plek is waar je hoogstwaarschijnlijk veilig bent voor verkoudheid dan is het midden op een plein in de stromende regen, als verder iedereen binnen zit om elkaar lekker aan te steken.

En als je ziek bent, dan moet je homeopathische spullen kopen. En laat ik nou even niet die hele discussie over het homeopathische principe starten. Doe er mee wat je wil, maakt mij niet uit. Maar het viel me onlangs op dat op ieder homeopathisch middel de volgende tekst staat:

‘De werking van dit product is niet op wetenschappelijke wijze aangetoond.’

Het staat OP DE VERPAKKING dat het niet werkt. Of in elk geval dat het niet bewezen is dat het werkt. En ik snap niet dat er mensen zijn die dit interpreteren als ‘het werkt wel’.

Maar zo lang TV blijft herhalen dat je ziek wordt van de regen, en we leren dat onze ‘weerstand in onze buik zit’ en we op aanraden van ‘tandartsen’ een bepaald product moeten kopen, en dat de ‘zoetheid uit fruit’ beter is dan andere zoetheid blijven we dat geloven.

Ik wind me hier te veel over op. Ik weet dat. En dat is slecht voor mijn weerstand. Tenminste dat las ik ergens.

Dus dan is het waar.

dinsdag, september 04, 2007

Een tien voor lef

Vrije wil is een illusie. En dat bedoel ik niet op een diepzinnige, filosofische manier. Het is voor mij de dagelijkse praktijk. Neem nou september. Een doodgewone maand, zou je zeggen, maar op het moment dat de kalender van de 31ste naar de 1ste gaat voel ik onrust opborrelen. Ik moet en zal naar de dichtstbijzijnde kantoorboekhandel om kaftpapier, schriften en een geodriehoek te kopen. Oh en een schoolagenda. En dat zijn hele vreemde impulsen als je 34 bent. Het is ook rond deze tijd van het jaar dat de reclames van de LOI en NTI me op gaan vallen. Opeens wil ik Iets Gaan Leren. Een Studie Beginnen. En ik hou helemaal niet van studeren. Het bewijs daarvan koester ik in de vorm van mijn diploma’s: papieren die mij geruststellen met de gedachte dat ik nooit meer naar school hoef. School is niet leuk, was niet leuk en wordt ook niet leuk. En toch wil ik kaftpapier kopen. Als een vogel die een onbedwingbare drang voelt om ieder handzaam takje mee te slepen naar het nest in wording.

Een ander bewijs van mijn gebrek aan vrijheid bevindt zich op dit moment naast me op mijn bureau. Een exemplaar van Windows Vista Ultimate, half begraven onder wat DVD hoesjes en papieren, ligt overduidelijk niet-geinstalleerd te wachten op betere tijden. Die toestand van niet-geinstalleerd zijn, heeft niets te maken met een gebrek aan goede wil. Want net zoals ik in september kaftpapier wil inslaan, wordt na het verschijnen van een nieuwe versie van Windows de drang om deze ook te installeren te groot om te weerstaan. Er is alleen een probleem met Windows. Het is niet te installeren. Wie zegt dat hij dat wel kan liegt, of maakt gebruik van betere drugs dan ik tot mijn beschikking heb. Tenminste, als het gaat om de ‘Eerste Editie’. In tegenstelling tot andere media (boeken) waarin een eerste druk uiteindelijk een geliefkoosd verzamelobject wordt, is een eerste versie van Windows vergelijkbaar met een met Pokkenvirus ingesmeerde deken. Het enige verschil is dat het pokkenvirus eenvoudiger is te installeren. De pijn, zo bleek vorig weekend, is bij Microsoft producten volledige gelijkwaardig.

Het proces begon nadat ik eindelijk een nieuwe harde schijf had aangeschaft. Een met 160 gigabyte opslagruimte, zodat ook ik ruimte had voor Vista. En hoewel er een stemmetje in mijn achterhoofd begon te piepen: ‘Niet doen! Je hebt nog zo veel om voor te leven! Laten we gaan Ping Pongen of zo!’ begon ik met de installatie.

Nadat de PC was herstart met de Vista DVD in de drive kreeg ik voor het eerst een glimp te zien van de Vista desktop. Een regenboogkleurige achtergrond verscheen, en een zandlopertje draaide enthousiast rondjes. Tot het zandlopertje verdween en alleen een muiscursor achterbleef. En verder niets. Geen balkjes, geen mededelingen. Een blanco scherm en af en toe wat activiteit op de harde schijf. Dat laatste is gewoon pure wreedheid. Microsoft leeft kennelijk van pure onversneden Irritatie, die via de internet verbinding naar Seattle wordt gezogen, om daar te destilleren in een nieuwe Spelcomputer Die Het Ook Niet Doet. Het kwaad vermenigvuldigd zichzelf. It’s Alive! It’s Alive. Het kwaad dan. Mijn PC niet. Die bleef me aanstaren met dat blanco scherm, tot ik het niet meer uithield en opnieuw opstartte. Bij Twijfel Reboot, Behalve Als Je Het Niet Zeker Weet. En dit resulteerde in vreemde boodschappen op mijn computerscherm. Mijn PC wilde dingen doen die volgens mij in vijf Europese landen verboden zijn. Een nieuwe reboot, en Goddank verscheen het Blanco Scherm weer. Je weet dat je ver heen bent als je juicht bij het zien van een lege Vista desktop. Deze keer besloot ik meer geduld te hebben. En inderdaad, twee uur later verscheen zowaar een balkje op mijn scherm. Ik veegde het uit mijn oren druppelende bloed van mijn toetsenbord en deed de dingen die Vista mij opdroeg. Licensie Sleutel, Installatie schijf selecteren. Gebruikersovereenkomst accepteren. Maagd offeren. Ziel verkopen aan de duivel. En Herstarten.

Joechei! De installatie was voorbij! Blij! Blij! Blij! Ik nam de kleine hersenbeschadiging graag op de koop toe als ik nu in elk geval eindelijk die Nieuwe Geweldige Vista kon aanschouwen. Gebruikersvriendelijker! Sneller! Mooier! En Zwarter! Want na de eerste herstart bleef het scherm angstvallig zwart. Geen activiteit. Een totaal gebrek aan Vista staarde mij vanachter de CRT beeldbuis aan. Lachend. Dat wist ik op dat moment zeker. In mijn op dat moment uitermate riskante gemoedstoestand besloot ik tot een laatste wanhoopsdaad. Ik Belde Microsoft. De bedenkers van Herstart Windows en Bel Ons Terug. Dan moet je echt alle wil om te leven hebben verloren.

Het was geen kwaadwillende jongen die me te woord stond. Hij nam geduldig de stappen met me door die op zijn scherm stonden (waarschijnlijk een Mac, want hij had alle zo gevonden). Hij bleef zelfs hangen terwijl ik mijn videokaart er uit haalde en tijdelijk verving door mijn oudere videokaart. En tijdens het opnieuw wachten op het Installatiescherm. Hij had zelfs een verklaring voor de lange wachttijd bij het blaco Vista scherm: ‘Vista is aan het onderzoeken welke hardware u heeft’. Kennelijk was Vista een doof, blind mannetje, gevangen in de jungle van Zuid Amerika, die doodsbang in een hoekje van de PC zat te wachten tot de nachtmerrie voorbij was.

Toen de PC inderdaad opnieuw opstartte naar het mij inmiddels bekende Zwarte Scherm Des Doods, kwam de helpdesk medewerker tot een briljante conclusie.

‘Uw PC is te nieuw voor Vista. Hij erkent de harde schijf niet.’
‘Maar hij heeft alles toch naar de harde schijf gekopieerd?’
‘Ja, maar daarna erkent hij hem niet meer.’
‘Hoezo? Wacht hij op een vaderschapstest of zo? Wat bedoel je met niet erkennen.’
‘Dat weet ik ook niet, meneer. Feit is dat u Vista niet kunt gebruiken.’
‘Dus ik heb nu een hele dure onderzetter in mijn DVD drive zitten?’
‘Zo zou u het kunnen zeggen, ja.’

Het was niet eens die mededeling waar ik verbaasd over was, maar de manier waarop de jongen het gesprek afsloot. Ik verzin dit niet.

‘Meneer, het kan zijn dat Microsoft u opbelt om te vragen wat u van mijn hulp vond.’
‘Dat mag.’
‘Ja, maar ik wil u even zeggen dat u een cijfer mag geven van 1 tot 9. En mijn baas is alleen tevreden als we allemaal een 9 krijgen.’
‘Dus je wil dat ik je een 9 geef.’
‘Als dat niet te veel moeite is, ja.’

Het was vooral het volledige gebrek aan schaamte waardoor ik nog minuten lang met open mond achter mijn PC zat. De helpdesk medewerker had na een paar keer ‘hallo’ roepen zelf de verbinding maar verbroken.

maandag, juni 18, 2007

Nee echt niet

Hardlopen is niet leuk. Het kan me niet schelen wat Dolf jansen beweert, of wat al die verstokte joggers roepen over 'verslaving', 'kick' of 'zen ervaring'. Waar halen ze dat vandaan? Hardlopen begint bij mij altijd 's ochtends al te kwellen. Ik sta op en weet 'vandaag moet ik weer'. Nu ren ik nooit 's ochtends. De wandeling van de slaapkamer naar het koffiezetapparaat vind ik op dat moment meer dan genoeg inspanning. Nee, het rennen stel ik uit tot 's avonds, als ik er helemaal geen zin meer in heb.
Het uitstellen is dus stap één van de ellende. Gevolgd door de eerste minuut, waarop mijn hele lijf me hardop lijkt te vragen 'Waar ben jij mee bezig? Ga op de bank zitten met een zak chips!' Na die eerste minuut wordt het allemaal draaglijker. En inderdaad, dan is het eigenlijk niet zo heel erg meer. Tot het moment dat er voetgangers voor me lopen. En tot mijn grote afgrijzen net zo hard lijken te gaan als ik. Voetgangers. Oude voetgangers. Grijsharige voetgangers die misschien hun rollator vergeten zijn. En ik haal ze maar heel langzaam in. Er zijn weinig momenten genanter dan dat. Uiteraard ga ik dan een tandje sneller, wat er voor zorgt dat de steken in mijn zij onmiddellijk toeslaan.
Een andere factor zijn de 'humoristen'. Er is een bepaald slag volk dat het niet kan laten iets te roepen als je voorbij rent. Populair zijn: 1) 'Hup met de beentjes' en mijn persoonlijke "favoriet" 2) 'Ze hebben hem al hoor!' Lachen! En dit volk lijkt te denken dat ze de eerste zijn die deze grap maken. Hi-[lelijk woord]-larisch.
Als laatste nagel aan de doodskist van mijn 'hardloopplezier' is het moment van thuiskomen. Als mijn vriendin opkijkt van haar boek en zegt: 'nu al terug?'
Hardlopen is niet leuk. Wat ze ook beweren.

vrijdag, mei 18, 2007

De doif is dood, meneer

Het lijkt traditie te worden. Elk jaar, zo tussen mei en juli, overlijdt mijn PC. En dat gebeurt uiteraard altijd zaterdagavond. Of in dit geval: op Hemelvaartsdag. Dat is niet alleen ironisch, maar ook logisch, want dat betekent dat ik me ruim 24 uur zorgen kan maken over de kosten en rompslomp van de herstelwerkzaamheden, in plaats van dat ik het apparaat meteen naar de reparatie kan brengen.

Frustrerend is vooral dat het ding stierf vanwege een broodnodige upgrade. Mijn PC gedroeg zich de laatste tijd alsof de koeling op ritalin draaide. Verbijsterend hoe lang het duurde om van mijn mailvenster naar mijn firefox venster te switchen. Soms was het gewoon sneller om het ding helemaal af te zetten en opnieuw op te starten.

Mijn oplossing, in de vorm van 512 mb extra geheugen, resulteerde woensdag dus in het overlijden van de computer. Nu staat het ding bij de reparateur, die ongetwijfeld een tarief berekent waarmee hij zijn vakantie kan bekostigen.

Ik baal.

maandag, mei 07, 2007

Serieus?

Twee jongens zijn bij de kassa aan de beurt om te betalen. De ene is door en door gothic, zwart lang haar, zwarte kleding en piercings. De ander is wat meer doorsnee maar wel gekleed in hip gerafeld t-shirt en spijkerbroek. Ze zijn onrustig. Opgewonden. Het meisje achter de kassa pakt iets van de lopende band.

‘Hier zit geen prijs op,’ zegt ze. Het is een langwerpig soort meloen van een type dat ik nog nooit heb gezien. De jongens weten ook niet wat het is en de chef moet er aan te pas komen om hem te identificeren. Ook hij weet het niet maar geeft opdracht om hem maar als Galia meloen aan te slaan.

Het duurt een paar seconden maar dan dringt het tot me door, en kan ik niet anders dan de volgende vraag stellen:

‘Als jullie zelf ook niet weten wat het is, waarom kopen jullie dat ding dan?’

Het valt stil in de rij. De jongens kijken elkaar even aan. Dan zegt de Gothic op serieuze toon:

‘Ik zocht iets om met mijn zwaard in tweeen te hakken.’
‘Ja, als je domme vragen stelt krijg je domme antwoorden,’ zeg ik lachend. ‘Maar wat gaan jullie er echt mee doen?’
‘We gaan hem... met een zwaard... in tweeen hakken,' herhaalt de Gothic. Zijn vriend lacht nerveus.

Ik ben nu zo ver gekomen dat ik het móet vragen.

‘Waarom dan?’

‘Da’s toch gaaf?’ zegt de Goth alsof dit pas écht een domme vraag was.

Er verglijden opnieuw wat seconden terwijl ik (en naar ik vermoed de rest van de rij) verwerken wat er net is gezegd. Een angstaanjagend beeld borrelt in me op.

‘Dat is toch geen repetitie voor een internet onthoofding, hè?’ vraag ik, naar ik hoop op ontspannen, humoristische toon.

‘Nee, we hebben nog geen camera,’ zegt de niet-Gothic.

vrijdag, mei 04, 2007

Lichtmuizen zijn het lekkerst

Wij hebben thuis drie katten, alledrie geschift. De meest typische van het trio is Lucie, een passionele lapjespoes die steeds weer met nieuwe vormen van gestoord gedrag op de proppen komt. Zo heeft ze de neiging om zo vaak mogelijk op mijn schouders te springen als ik het niet verwacht. Dit meestal als ik een dun shirt aan heb, waar ze te weinig grip op heeft, zodat ze haar nagels diep in mijn vlees duwt om niet te vallen.

Ook kan ze het niet laten om glazen water om te gooien, om vervolgens geïnteresseerd toe te kijken hoe het water alle kanten op stroomt. In één treurig geval over mijn laptop, die ter plekke overleed.

Gisteravond was het zelfs een kop hete thee die ze, met een scheef koppie toekijkend, zo omver mikte. Over mijn benen. Je zou denken dat al deze ‘ongelukjes’ bij elkaar er op duiden dat ze een appeltje met me heeft te schillen. Lucie is echter kennelijk nogal op me gesteld, aangezien ze begint te snorren als een DC10 op het moment dat ik de kamer binnenkom. Waarop ik uiteraard niets anders kan doen, dan haar heel lang aaien. Ze is immers enorm schattig.

De laatste obsessie voor Lucie zijn de ‘lichtmuizen’. Sinds we in ons nieuwe huis wonen is ze gebiologeerd door de dansende schaduwen en lichtvlekjes op de muren. Onder een luid ‘Prrrrauw!’ springt ze op iedere schim die beweegt. Daarbij komt ze regelmatig meer dan een meter van de vloer, en rent ze langs de wanden alsof het een scène uit een tekenfilm is. Helemaal leuk wordt het als ze het lichtvlekje ziet dat mijn horloge op de muur reflecteert. Uiteraard stuur ik die ‘lichtmuis’ dan de hele kamer rond, waar Lucie dan vrolijk achteraan dendert. Dit uiteraard zonder rekening te houden met wat er in haar pad staat.

Het probleem met het stimuleren van dit soort gedrag is dat het zich uiteindelijk toch weer tegen me keert. Ik was me er namelijk niet van bewust dat mijn horloge weer ‘lichtmuizen’ projecteerde in mijn werkkamer, waar Lucie naast me op het zijbureau zat. Ik wist niet dat ze zich had voorgenomen om de lichtmuis deze keer koste wat het kost te pakken zou krijgen. Ik keek achteloos opzij en zag dat ze op de muur achter het vlekje aanzat. Ik glimlachte en bewoog mijn pols per ongeluk zó, dat de lichtmuis plots op het plafond zat. Lucie hoefde er niet eens over na te denken. De enige manier om daar nog in de buurt te komen was via mijn schouders. Moet ik er nog bij zeggen dat ik op dat moment een héél dun t-shirt aan had?

vrijdag, april 27, 2007

Don't mention the war

Ik zeg altijd de verkeerde dingen. Onlangs belde ik de NS. Over een paar weken ga ik naar Parijs voor de presentatie van een grote game producent, en ik wilde weten of de aansluiting met de trein naar huis een beetje betrouwbaar is. Ik wil tenslotte niet midden in de nacht in Amsterdam stranden. De vrouw aan de lijn verzekerde me dat het allemaal wel goed zou komen. Waarop ik zei:

‘Het is dan te hopen dat Al Qaida zich die dag rustig houdt…’

Een paar seconden was het stil, en besefte ik dat ik zojuist misschien wel een terroristisch dreigement had uitgesproken. Tot mijn grote opluchting schoot ze in de lach.

Erger was het een paar weken geleden. Mijn vriendin en ik zouden op tweede Paasdag mijn moeder bezoeken. Uiteraard haalden we even bloemen. Het volgende verhaal is (helaas) waar gebeurd.

Ik loop de bloemist in. Achter de kleine toonbank staat een wat oudere man die ons vriendelijk toelacht en meteen behulpzaam is met het uitzoeken van een boeket. Dat doet hij heel vaardig, zeker gezien het overduidelijk ontbreken van zijn rechterarm. Op de een of andere manier kan hij zijn stomp nog gebruiken om mee te grijpen, en daar is hij verdraaid handig (sorry) in. In zo’n geval is de regel: niet staren, niets zegen, gewoon doen. Don’t mention the war, zoals Basil Fawlty in paniek uitroept als er Duitsers in het hotel komen.

De man kletst ondertussen gezellig met mijn vriendin, en is zo aardig om ons twee bossen voor de prijs van één te verkopen.

‘Ik heb gisteren een kleinzoon gekregen,’ vertelt hij vrolijjk.
‘Da’s leuk!’ zegt mijn vriendin.
‘Gefeliciteerd,’ zeg ik. En ik heb niet het verstand om daar te stoppen. Dat vreselijke deel van mijn brein heeft de leiding overgenomen. Zonder dat ik er controle over heb komen de volgende woorden uit mijn mond:

‘Wat leuk! Hoe maken moeder en kind het? Helemaal gezond? Tien vingers en tien teentjes en zo?’
‘Eh, ja,’ zegt de man. ‘Dat was ook het eerste waar ik toch wel naar heb gekeken.’

In eerste instantie heb ik het zelf nog niet door. Het is immers dat andere deel van mijn brein dat de woorden had uitgesproken. Maar langzaam maar zeker komt het besef (en het schaamrood) opzetten. ‘Don’t mention the war!’ roept Basil in mijn achterhoofd. ‘I mentioned it once, but I think I got away with it.’

‘Gelukkig,’ zeg ik, terwijl ik zo snel mogelijk weg wil. ‘Gezond is het belangrijkste.’
In gedachte zie ik nu Basil zijn Hitler loopje doen voor de verbijsterde Duitse gasten.

Mijn vriendin, die het of niet door heeft, of de beste pokerface allertijden trekt, rekent af en zegt gedag.

‘Dag,’ zeg ik, en zwaai. De man zwaait terug met zijn stomp. Ik probeer niet te staren. Op een haar na mis ik mijn mijn hoofd de deur die mijn vriendin net open deed. We verlaten de winkel. Basil is in mijn gedachten inmiddels weer knock-out en wordt door Manuel het hotel uit gesleept.

vrijdag, april 20, 2007

"Mooie trui"

Doodnerveus was ik toen Gamer.nl me vroeg om wat te komen vertellen over geweld en games. Want zo vaak ben ik nog niet voor de camera geinterviewd. Gelukkig werd ik een dag van te voren gevraagd, dus ik had niet zo vreselijk veel tijd om mezelf helemaal in paniek te brengen. Zoals ik allerlei 'worst case scenarios' aan mijn geestesoog voorbij zag trekken toen ik door het Nicam werd gevraagd om bij hen een lezing te houden.

Toch had ik in de trein naar Utrecht (waar het interview werd opgenomen) voldoende tijd om flink nagels te bijten. Wat als ik niet uit mijn woorden zou komen? Wat als ik van de zenuwen opeens grappig zou proberen te doen, en dat die hypotetische genante grap dan ook nog in het filmpje zou zitten? Of wat als ik om wat voor reden dan ook plots een spraakgebrek zou ontwikkelen? Dicht zou slaan? Zou hyperventileren? Mijn stem debiel zou klinken?

Het moment dat het interview online kwam klikte ik hem uiteraard meteen aan. Het viel me helemaal niks tegen. Het was op zo'n manier gemonteerd dat ik zelfs redelijk samenhangend overkwam. Halleluja! Die forum reacties van de site kon ik dus met vol vertrouwen tegemoet zien.

"Mooie trui"

Twee woorden. Niet eens een punt. Dit was de tweede reactie op het filmpje. "Mooie trui". Wat?? Hoe? Wie!? Waarom? Wat nou "Mooie trui". Waarom "Mooie trui"? Wat de f*ck is er mis met mijn trui?

Met angstige ogen bekijk ik opnieuw het filmpje. Ik luister niet eens meer naar mijn woorden. De kale plek op mijn kruin valt me niet eens meer op. Mijn blik is gefixeerd op, wat in de woorden van een Gamer forumlid, mijn "Mooie trui" is. Ik zie geen gaten, geen vlekken, niks eigenlijk wat genant is. Behalve... maar dat bedoelen ze toch niet? Het gaat toch niet om het model? Een mooie rode trutleneck, mooi oud geworden met wat grove kabelsteken? Zo'n monument van een trui, daar doe je toch niet cynisch over?

Ik vertel dit 's avonds aan mijn vriendin. Ze begint hard te lachen.

"Ze hebben gelijk," zegt ze. "Het is een lelijk kreng! Hoe haalde je het in je hoofd om die aan te trekken?"
"Niemand heeft me ooit verteld dat ie lelijk is," werp ik tegen.
"Dat is ie toch," zegt ze.
"Waarom zeg je dat dan niet voor ze me gaan filmen?"
"Ik dacht dat je dat zelf ook wel wist."

Dus daar staat het nu, op internet. Mijn 'serieuze mening over games en geweld' teruggebracht tot een vaststelling in twee woorden.

"Mooie trui"

Ik heb het ding achter in de kast gegooid. Weggooien dat doe ik niet. Dat zou te veel eer zijn voor al die anti-trui types. Maar ik heb mijn vriendin op het hart gedrukt: als ik de volgende keer gefilmd word, GEEF ME EEN EERLIJK KLEDINGSADVIES!

Ben ik in beeld?

Vandaag staat een video interview met mij online op Gamer.nl. Het interview gaat over geweld en games en over die joker van een Jack Thompson, die onmiddelijk de Virginia schietpartij met spellen in verband bracht. Journaliste Iris van Schouten van Gamer vroeg mij dit alles naar aanleiding van het nrc.next artikel van een paar maanden her, en de lezing die ik over dit onderwerp heb gegeven bij het Nicam.

Een erg leuke ervaring, trouwens, zo'n interview voor de camera. Doodnerveus was ik, maar dankzij verbluffende special effects lijk ik lang niet zo verward als in werkelijkheid.

maandag, maart 26, 2007

Stomerij

Ik stond dinsdag in de rij van de kassa in de supermarkt. Toevallig die kassa dat ook dienst doet als loket voor de stomerij. Voor me was een wat oudere heer die zonder boodschappen op zijn beurt wachtte. In zijn hand had hij een bonnetje.
‘Aha,’ dacht ik. ‘Een klant voor de stomerij.’
Niets ontgaat mij. Net zoals het hierna volgende, waargebeurde gesprek tussen de oudere heer en het piepjonge kassameisje.

‘Ik kom mijn jas halen.’
‘Maar het is nog geen drie uur!’ zei het meisje oprecht verschrikt.
‘Inderdaad, het is tien voor drie,’ zei de man.
‘Kleren van de stomerij zijn pas om drie uur klaar. Kunt u straks niet terugkomen?’
‘Ik dacht dat het wel zou kunnen dat hij er al is,’ zei de man. ‘Kunt u niet even kijken?’

Een korte pauze.

‘Eh, nee. Dat heeft geen zin.’
Ik keek van het meisje naar de oudere heer naar het rek met kleren, dat een meter achter haar tegen de muur stond. De oudere heer was even sprakeloos. Toch hernam hij zich moedig.

‘Jawel,’ zei hij.

De man steeg in mijn achting. Soms moet je koppigheid niet met argumenten bestrijden maar met een welluidend ‘Welles!’.

‘Meneer, dat heeft geen zin, de kleren zijn pas om drie uur klaar. Dat staat op het bonnetje.’
‘Dat weet ik, daarom kom ik ook nu,’ zei de man, die van sprakeloosheid via stelligheid nu richting irritatie bewoog. ‘Je kunt toch wel even kijken? Volgens mij zie ik hem zelfs hangen.’
‘Meneer, ik ga de volgende klant helpen,’ zei het meisje pinnig. Demonstratief haalde ze mijn netje ongeschilde spruitjes door de scanner. De oudere heer liep nu ietwat rood aan. Als hij een wandelstok had gehad, had hij daar beslist nu mee gezwaaid.
‘Ik wil nu de chef spreken!’ riep hij.
Het meisje beet op haar lip en keek nadrukkelijk alleen naar mijn boodschappen die een voor een voorbij gelden. Misschien hoopte ze, dat door het stellig te wensen, de man in een pak melk zou veranderen. Of een pak met twee vegetarische hamburgers. Of iets anders wat niet zo onredelijke Vóór Drie Uur Een Jas Wilde Ophalen.
De chef verscheen, herkenbaar aan een naamplaatje en een pluk zwart haar dat over een glanzende kale plek was gekamd.
‘Deze juffrouw wil mij mijn jas niet geven!’ zei de oudere heer.
‘Waarom niet, Muriel?’ zei de man.
‘Het is nog geen drie uur,’ zei Muriel met een klein maar oh zo standvastig stemmetje.
‘Kijk toch maar even,’ zei de chef.
En inderdaad, een plastic zak met een (hopelijk) proper jasje ging met de oudere heer de winkel uit. Ook de chef nam weer post in zijn kantoortje. Het meisje sloeg mijn laatste boodschappen aan.
‘Wat een eikel. Logisch dat het er nu wel was,’ mopperde het meisje onder haar adem.
‘Waarom dat?’ vroeg ik terwijl ik mijn pinpas door het apparaat haalde.
‘Door al dat gezeur is het nu vijf over drie.’

dinsdag, januari 23, 2007

Stuk staat nu online

Mijn artikel is nu in de originele vorm hier te lezen.

Gamer.nl en Ownage.nl over mijn stuk

Zowel Gamer.nl als Ownage.nl besteden aandacht aan mijn opiniestuk. Het raakt kennelijk een snaar bij gamers. Nu maar hopen dat de 'powers that be' ook hun mening over games een beetje bij durven stellen.

Artikel van mij in NRC Next!

In NRC Next van vandaag staat een door mij geschreven opiniestuk over gewelddadige videogames, en waarom deze niet verboden mogen worden. Later op de dag plaats ik het stuk zelf op mijn game blog.

vrijdag, januari 05, 2007

Ebay

Moest dit even delen...